De gebroeders Van Limburg en hun Nijmeegse wortels

 

Artikel door Dr. Willy Niessen, Drs. Mieke van Veen-Liefrink

uit:  Dückers, R. & P. Roelofs (red.). De gebroeders Van Limburg. Nijmeegse meesters aan het Franse hof 1400-1416. Nijmegen 2005

 

De tentoonstelling over de wereldberoemde miniatuurschilders Van Limburg is een uitgelezen moment de bestaande literatuur over hen te toetsen aan de originele archiefstukken die in het Regionaal Archief Nijmegen aanwezig zijn. Hierbij gaat onze aandacht met name uit naar hun familiebetrekkingen en naar de ligging van het onroerend goed dat de familie in Nijmegen bezat en of bewoonde.

De Duitse (kunst)historicus Friedrich Gorissen heeft uitgebreid onderzoek verricht naar de gebroeders Van Limburg. Zijn gezaghebbend artikel ‘Jan Maelwael und die Brüder Limburg; eine Nimweger Künstlerfamilie um die Wende des 14. Jhs.’ is een standaardwerk voor latere auteurs, waar zij met name de feitelijke gegevens over de gebroeders Van Limburg en hun familieleden uit overnemen.[1] We volstaan met een controle van de gegevens die Gorissen ruim vijftig jaar geleden in de Nijmeegse archieven verzamelde. De ‘latere auteurs’ hebben zich terecht op Gorissen verlaten, zo blijkt uit onze toetsing.

In 1366 wordt Johannes van Lymborgh aangenomen als burger van de stad Nijmegen. [2] Het is vrijwel zeker dat Arnold van Limburg, ook bekend onder de namen “Arnold de Aquis beldesniders”, “Arnoldi beeldensnijder” en “Arnoldi de Lymborch dicti Maelwael beeldensnijder”,[3] een zoon is van Johannnes van Lymborgh. Deze familierelatie is des te aannemelijker omdat Arnold van Limburg niet in het burgerboek vermeld staat, maar in de schepenprotocollen wel als burger - concivis - wordt aangemerkt.

Arnold van Limburg trouwt omstreeks 1385 met Mette/Mechteld Maelwael. Zij is een dochter van Wilhelm Maelwael die schilder en edelsmid was aan het hof van Gelre.[4] Zeer waarschijnlijk is het mede door toedoen van zijn schoonvader en diens broer Herman Maelwael, dat ook Arnold van Limburg in 1389 opdrachten heeft uitgevoerd voor dit zelfde Hof.[5]

Arnold van Limburg en Mette Maelwael krijgen zes kinderen: Herman, Johan, Paul, Rutger, Arnold en een dochter Greta. Herman, Johan en Paul van Limburg zouden wereldberoemd worden. Mette Maelwael wordt al vroeg weduwe, want Arnold van Limburg overlijdt reeds vóór 1399. Hij laat haar achter met zes nog minderjarige kinderen.

Na de dood van Arnold van Limburg worden zijn zonen Herman en Johan naar hun oom Johan Maelwael die in Parijs verblijft, gestuurd. Daar gaan zij in de leer bij de goudsmid Albert de Bolure.[6] Johan Maelwael, de broer van hun moeder, is zelf werkzaam als schilder aan het Bourgondische hof.

Omdat er in Parijs een pestepidemie heerst, besluit de Bolure en/of Johan Maelwael de jongens naar huis terug te sturen. In Brussel aangekomen, worden zij echter gevangen genomen. Door de vijandigheden tussen de hertogen van Brabant en Gelre worden zij als verdachte personen beschouwd en zullen pas worden vrijgelaten na het betalen van losgeld.

Gorissen concludeert dat Mette Maelwael niet in staat is het hoge losgeld voor haar zonen Herman en Johan te betalen. “Da die arme Mutter, die in Nimwegen mit vier onmündigen Kinder sasz, das hohe Lösegeld nicht zu zahlen vermochte”.[7] Gorissen heeft hier het franse “povre femme” vertaald als ‘arme vrouw’, in de zin van ‘niet rijk’. Naar onze mening wordt het begrip ‘povre’ hier in overdrachtelijke zin gebruikt. De schrijver had medelijden met haar. Mette Maelwael zat immers als weduwe met nog een paar kleine kinderen helemaal in Nijmegen in de wetenschap dat twee van haar zonen ver van huis gevangen zaten. Waarschijnlijk kwam Gorissen tot deze conclusie omdat het losgeld dat voor de jongens moest worden betaald uiteindelijk door de hertog van Bourgondië is betaald nadat het eerder door de Brusselse kunstenaars was voorgeschoten. Zo we later zullen zien, was Mette Maelwael redelijk welgesteld.

In 1402 en 1403 bevinden Paul en Johan van Limburg  zich in Parijs. Zij werken daar als schilder en verluchter.[8] Of hun broer Herman in die tijd ook in Parijs werkzaam was, is niet duidelijk.

Paul van Limburg heeft zijn Nijmeegse leertijd kennelijk afgerond. Wellicht heeft hij in het atelier van zijn grootvader Wilhelm Maelwael en bij zijn oudoom Herman Maelwael[9] zijn eerste werkervaringen opgedaan. Bijna zeker heeft ook zijn oom Johan Maelwael een belangrijke rol gespeeld in de opvoeding van de jonge Paul van Limburg. Daarnaast misschien ook nog Herman die Maelre van Keulen die goudsmid en schilder was.[10]

Aan de hand van de zeer uitgebreide transscripties die Gorissen aan zijn reeds genoemde artikelen uit 1954 en 1957 toevoegde, zijn de door hem aangehaalde Nijmeegse schepenprotocollen met betrekking tot het onroerend goedbezit van de families Maelwael en Van Limburg opnieuw gelezen met de bedoeling de precieze locaties van hun bezittingen op kaart aan te geven. Met behulp van deze aantekeningen kan het volgende worden geconcludeerd: Willem Maelwael, de grootvader van de gebroeders Van Limburg, bezat de gehele oostelijke hoek van de Burchtstraat en de Stokkumstraat, bestaande uit een aantal huizen, ter grootte van de percelen die in 1832 bekend staan als C373, C372, C371, C370 en een achter C373 en C372 – de huidige percelen Burchtstraat 61, 63 en 65 en liggend perceel aan het Stockumstraatje no. 17[11] Voor zover we konden nagaan, woonden Willem Maelwael en later zijn dochter Metta en zijn schoonzoon Arnold de Lymborch met hun kinderen op C370.[12] Metta bleef ook na de dood van haar man het pand bewonen. Het is zeer aannemelijk dat Herman, Paul en Johan van Limburg in Nijmegen opgroeiden in het huis dat oorspronkelijk hun grootvader van moederszijde toebehoorde. 

Hoeveel panden destijds op het perceel stonden, is niet meer te achterhalen. Hiervoor zou  ter plekke uitgebreid archeologisch onderzoek moeten worden verricht. Het is evenwel zeker dat Metta Maelwael na haar vaders overlijden in het bezit was van meer dan één huis aan de noordzijde van de Burchtstraat. Logischerwijze zouden dat de latere wijknummers C370 en C371 en mogelijk ook C372 moeten zijn. Deze hypothese wordt gesteund door een schepenprotocol uit 1417.[13] In deze akte wordt beschreven dat haar dochter Greta van Limburg, de zus van de gebroeders, en haar man Theodoricus Neven de volgende eigenaren zijn van de op deze locatie gelegen huizen en erven – ‘domibus et areas’.

Een andere aanwijzing dat het om precies deze locatie gaat, vinden we in een schepenprotocol uit 1460. De panden die op de hoek van de Burchtstraat en het Stockumstraat lagen, kwamen na de dood van Willem Maelwael kennelijk aan zijn zoon Johan toe, die hofschilder van hertog Filips de Stoute van Bourgondië in Dijon was. Deze percelen zijn op zeker moment onder zodanige voorwaarden verkocht dat uiteindelijk Heylweg Maelwael, de dochter van Johan, in 1460 nog steeds bepaalde financiële rechten op het pand heeft.

 


 

Detail uit de kaart van Hendrik Feltman, 1669. Museum Het Valkhof Nijmegen.

De Hoek van het Stockumstraatje met de Burchtstraat bevindt zich op de kruising in het midden aan de linkerzijde onder.

 

Vervolgens richten we onze aandacht op de zuidzijde van de Burchtstraat en wel op de hoek van de Lange Nieuwstraat. Het gaat hierbij om de percelen met de wijknummers A16/17 en A197. Oorspronkelijk behoorde dit stukje Nijmegen aan Herman Maelwael, een oom van Johan en Metta. Uit de schepenprotocollen valt op te maken dat Johan Maelwael de “domus et areas” op de hoek en Metta het er achterliggende perceel A197 erfde van deze kinderloos gestorven oom.[14] Later zou dit perceel haar dochter Greta en haar echtgenoot toebehoren.[15] Metta van Maelwael, de weduwe van Arnold van Limburg, was dus allesbehalve arm in de betekenis van onvermogend.

Omstreeks 1413 bezat zij ook de helft van een huis tussen de Stikke Hezelstraat en het (Sint Stevens) kerkhof.[16] Eerder was dit huis van haar oom de presbyter Johan van Maelwael. Nadat Metta Maelwael is overleden, verkopen de kinderen hun aandeel in het huis bij het kerkhof aan de huurder van het huis; presbyter Seger van Weelderen, rector van het H. Catharina altaar in de Sint Stevenskerk.[17]

Jaren eerder al, om precies te zijn in 1410, verkochten Herman en Johan van Limburg al hun roerende en onroerende goederen aan hun moeder Metta Maelwael. Beide kunstenaars verschenen in eigen persoon voor de schepenen om de betreffende akte te laten opmaken. Zij waren in juni 1410 dus in Nijmegen.[18] De laatste keer dat we in de Nijmeegse schepenprotocollen iets vernemen over de aanwezigheid van de gebroeders Van Limburg in hun geboortestad dateert uit 1415. Paul en Johan verschijnen voor de schepenen om - mede uit naam van hun broers Herman, Rutger en Arnold en hun zus Greta de reeds bovengenoemde helft van het huis bij het kerkhof over te dragen.

Uit een schepenprotocol uit het najaar van 1416 blijkt dat “Hermanni, Pauli et Johannis de Lymborch” zijn overleden.[19]

 

 


 

Fragment uit kadastrale kaart van 1832

 


Kaart uit het artikel van Peter Boer over stadskastelen in het boek ‘Verborgen Verleden. Bouwhistorie in Nijmegen’. In de rode ovaal de panden van de Maelwael/Van Limburg-familie.

 

Geraadpleegde literatuur

 

Anrooij, W. van, Spiegel van ridderschap: Heraut Gelre en zijn ereredes, Amsterdam 1990.

Cazelles, R. en Johannes Rathofer, Das Stundenbuch des Duc de Berry Les Très riches Heures; mit einer Einfürhrung von Umberto Eco.

Châtelet, A., L’Age d’or du manuscript á peintures en France au temps de Charles VI et les heures du Maréchal Boucicaut, Chapitre VI. Les frères de Limbourg.

Gorissen, F., “Jan Maelwael und die Brüder Limburg; eine Nimweger Künstlerfamilie um die Wende des 14. Jhs.”, in: Bijdragen en Mededelingen der Vereniging “Gelre” LIV (1954), pp. 153-221.

Gorissen, F., “Jan Maelwael, die Brüder Limburg und der Herold Gelre”, in: Bijdragen en Mededelingen der Vereniging “Gelre” LVI (1957), pp. 166-178.

Gorissen, F., Das Stundenbuch der Katharina von Kleve: Analyse und Kommentar, Berlin, 1973.

Longnon, J. en R. Cazelles, De Très Riches Heures van Jean, duc de Berry, Utrecht, 1973.

Meiss, M., French painting in the time of Jean de Berry : the Limbourgs and their contemporaries, New York, Text volume [2].

Nijsten, G.J.M., Het hof van Gelre; Cultuur ten tijde van de hertogen uit het Gulikse en Egmondse huis (1371 - 1473), Nijmegen, 1992.

Rickert, M., Bespreking van artikel van Gorissen, 1954, in: The art bulletin 39 (1957) pp. 73-77.

Schimmel, J.A., Burgerboek van Nijmegen 1336-1591, Nijmegen 1976. Niet gepubliceerd. Te raadplegen op het Regionaal Archief Nijmegen.

Turner, J. (ed.) The dictionary of art, New York, 1996, pp. 388-394.

 

 

 

 

14e- en 15e-eeuwse huizen aan de Grote Markt, zuidzijde. 



[1] Friedrich Gorissen, “Jan Maelwael und die Brüder Limburg; eine Nimweger Künstlerfamilie um die Wende des 14. Jhs.”in: Bijdragen en Mededelingen der Vereniging “Gelre” LIV (1954), pp. 153-221; Gorissen, “Jan Maelwael, die Brüder Limburg und der Herold Gelre” in: Bijdragen en Mededelingen der Vereniging “Gelre” LVI (1957), pp. 166-178.

[2] J.A. Schimmel, Burgerboek van Nijmegen 1336-1591, Nijmegen 1976, nr. 427. Niet gepubliceerd. Te raadplegen op het Regionaal Archief Nijmegen.

[3] RAN, inv.nr. 1797, fol. 35v, 29 juni 1410; inv.nr. 1880, fol. 38, 7 september 1413; inv.nr. 1802, fol 35v, 19 december1415.

[4] Gerardus Johannes Maria Nijsten, Het hof van Gelre; Cultuur ten tijde van de hertogen uit het Gulikse en Egmondse huis (1371 - 1473). Nijmegen, Kampen, 1992, pp. 188 en 413.

[5] Nijsten, a.w. 1992 189 en 413.

[6] Gorissen, a.w.,1954, p. 174.

[7] Gorissen, a.w., 1954, p. 174.

[8] Gorissen, a.w., 1954, p. 174.

[9] .Wim van Anrooij, Spiegel van ridderschap: Heraut Gelre en zijn ereredes., Amsterdam 1990, pp. 27, 46, 84, 85, 91 en 93. wordt verwezen naar de miniatuurschilderingen die zowel Herman als Johan Maelwael hebben gemaakt voor het “Wapenboek Gelre”.

[10] Nijsten, a.w., 1988, p. 192. “Herman die tevens goudsmid was onderhield relaties met de familie Maelwael”; RAN, inv. 1805, fol. 19, 14 december 1419. Ook zien wij hem later nog in relatie met Arnold, de jongste broer Van Limburg die aan Hermanno de Colonia “40 cronen boni auri “schuldig is.

[11] RAN, inv.nr. 1824, fol. 13v, 2 maart 1460.

[12] RAN, inv.nr.1802, fol. 43, 9 juli 1414.

[13] RAN, inv.nr. 1804, fol. 12, 7 maart 1417.

[14] RAN, inv.nr. 1800, fol. 38, 7 september 1413.

[15] RAN, inv.nr. 1804, fol. 12, 7 maart 1417.

[16] RAN, inv.nr. 1800, fol. 2, 3 januari 1413.

[17] RAN, inv.nr. 1799, fol. 45v.

[18] RAN, inv.nr. 1797, fol. 35v, 29 juni 1410.

[19] RAN, inv.nr. 1803, fol. 38v, september/oktober 1416.